Milieuklassen NEN EN 206-1 en NEN 8005

Environment according to NEN EN 206-1 and NEN 8005

In NEN-EN 206-1 zijn 18 milieuklassen gedefinieerd. De ontwerper/betonconstructeur is degene die van elk bouwdeel of onderdeel de milieuklassen die van toepassing zijn moet bepalen. Hierbij wordt doelbewust gesproken over milieuklassen in meervoud! Omdat er per bouwdeel in principe meerdere milieuklassen van toepassing kunnen zijn die betrekking hebben op de verschillende oorzaken van aantasting van wapening en beton. Minimaal is 1 en maximaal zijn 5 milieuklassen van toepassing.


25   2a   9a
         
26   chemischeaantasting   carbonation

 

Niet alle beton komt bij gebruik in even corrosieve omgevingen terecht. Een betonconstructie die in aanraking komt met zeewater, moet van een betere kwaliteit zijn dan een tegen het weer beschermde betonnen wand. Afhankelijk van het gebruik worden voorwaarden gesteld aan de water/cementfactor, grootte van de granulaten, minimale betondekking van de wapening. Daartoe zijn er ooit in sommige delen van de wereld verschillende milieuklassen opgesteld.

De onderverdeling door de letter 'X' gevolgd door:

  • het cijfer '0' voor geen aantasting
  • de letter 'C' (carbonation) voor aantasting door carbonatatie 1)
  • de letter 'D' (deicing) voor aantasting door chloriden (zouten) anders dan zeewater (onder andere strooizout)
  • de letter 'S' (seawater) voor aantasting door zeewater
  • de letter 'F' (frost) voor aantasting door vorst
  • de letter 'A' (aggressive) voor chemische aantasting
  • de letter 'M' (mechanical) voor mechanische aantasting
Tenslotte wordt nog een klasse (cijfer 1-3 of 1-4) toegevoegd. Voor elke milieuklasse geldt een andere samenstelling van het beton. Daarbij is de milieuklasse bepalend hoe de wapening aangebracht wordt qua dekking (diepte waarop de wapening in de beton wordt geplaatst). Tevens worden per milieuklasse eisen gesteld aan de maximaal optredende scheurwijdte van het beton. De optredende scheurwijdte geldt voor plaat- en wandvormige constructies. Voor constructies met voorspanstaal of voor balk- en kolomvorminge constructies worden strengere eisen gesteld.
 
1) Carbonatatie is een chemische reactie waarbij koolstofdioxide reageert met calciumhydroxide waarbij onoplosbaar calciumcarbonaat wordt gevormd (als neerslag). Hiertoe zal de koolstofdioxide eerst oplossen in water.

 

Welke milieuklassen zijn van toepassing?

Dit is de vraag die moet worden beantwoord. Omdat het eenduidig beantwoorden van deze vraag met alleen tabel 1 niet zo eenvoudig is, wordt de gebruiker in de hier beschreven methodiek op een praktische wijze in vier stappen geleid naar het antwoord op de bovengenoemde vraag.
 
Toelichting van de methodiek
 
Stap 1
 
In deze stap worden 2 vragen gesteld:
  • welke vochthuishouding is van toepassing: zeer droog, droog, vochtig, nat / droog, nat of permanent onder water;
  • welke additionele invloeden zijn van toepassing: vorst of een combinatie van vorst met chloriden.
Op basis hiervan is met tabel 2 de van toepassing zijnde milieuklasse XC te bepalen, al dan niet in combinatie met de milieuklassen XD, XS en XF.
 
Voor de juiste keuze van de vochthuishouding die van toepassing is, geeft de toelichting bij tabel 2 een handreiking. Hierbij wordt onderscheidt gemaakt tussen constructies in het binnenland en constructies in een maritiem milieu.
 
Stap 2
 
In stap 1 zijn alle milieuklassen vastgelegd, behalve die voor een chemisch agressief milieu XA. Om NEN-EN 206-1 goed te kunnen toepassen zal er, naast het grondmechanisch advies, ook een geochemisch advies nodig zijn dat over het grondwater én de bodem de volgende informatie geeft:
  • grondwater: gehalte sulfaat, zuurgraad, gehalte kalkoplossend koolzuur, gehalte ammonium en gehalte magnesium;
  • bodem: gehalte sulfaat en zuurgraad.
Op basis van deze informatie is met tabel 3 de van toepassing zijnde milieuklasse XA te bepalen.
Als een bouwdeel in contact kan komen met chemicaliën, bijvoorbeeld in de agrarische sector of in de industrie, dan kan uit tabel 4 de mate van agressiviteit worden afgelezen, onderverdeeld van onschadelijk tot zeer sterk agressief. Hiermee kan met het keuzeschema de milieuklasse XA worden bepaald.
 
Stap 3
 
Voor een wand of plaat kunnen de condities, van belang voor de duurzaamheid, per zijde zeer verschillend zijn. Daarom moeten voor deze bouwdelen per zijde de milieuklassen die van toepassing zijn bepaald worden. Ook voor balken in een vloer of kolommen die een onderdeel vormen van een wand kunnen verschillende milieus per zijde optreden.
 
Stap 4
 
Uit de stappen 1 t/m 3 volgen nu per bouwdeel de correcte milieuklassen én bij wanden en vloeren de milieuklassen per zijde. Deze combinatie van milieuklassen moet in de projectspecificaties worden opgenomen voor gebruik door:
  • ontwerper/betonconstructeur: voor het bepalen van de minimale betondekking en toelaatbare scheurwijdte;
  • betontechnoloog: voor het bepalen van de maximale water-cement-/bindmiddelfactor en minimum cement-/bindmiddelgehalte én eventueel toe te passen luchtgehalte.
In tabel 5 zijn deze ontwerpparameters samengebracht in samenhang met de milieuklassen.
Milieuklassen conform art. 4.1 van NEN-EN 206-1
 
TABEL 1
 
          Beschrijving van het milieu       Opmerkingen
   

X0

  1. Geen risico op corrosie 2) of aantasting.
  2. Voor beton zonder wapening of ingesloten metalen: alle milieus, behalve bij vorst/-dooi, afslijting of chemische aantasting.
  3. Voor beton met wapening of ingesloten metalen: zeer droog.
 
X0   -- 
 
 
 
XC
  1. Corrosie ingeleid door carbonatatie.
  2. Indien beton, dat wapening of andere ingesloten metalen bevat, is blootgesteld aan lucht en vocht.
XC1 droog of blijvend nat
XC2 nat, zelden droog
XC3 matig vochtig
XC4 wisselend nat en droog
   
XD
  1. Corrosie ingeleid door chloriden anders dan afkomstig uit zeewater.
  2. Indien beton, dat wapening of andere ingesloten metalen bevat, in contact staat met chloridenhoudend water, inclusief dooizouten afkomstig uit bronnen anders dan zeewater.
XD1 matig vochtig
XD2 nat, zelden droog
XD3 wisselend nat en droog
   
XS
  1. Corrosie ingeleid door chloriden afkomstig uit zeewater.
  2. Indien beton, dat wapening of andere ingesloten metalen bevat, wordt blootgesteld aan chloriden uit zeewater of zich in de spatzone bevindt.
XS1 blootgesteld aan zouten, maar niet direct in contact met zeewater
XS2 blijvend onder water
XS3 getijdenzone, spat- en stuifzone
   
XF
  1. Aantasting door vorst/dooi-wisselingen met of zonder dooizouten.
  2. Indien beton is blootgesteld aan flinke vorst/dooi-wisselingen en nat is.
XF1 deels verzadigd met water, zonder dooizouten
XF2 deels verzadigd met water, met dooizouten
XF3 verzadigd met water, zonder dooizouten
XF4 verzadigd met water, met dooizouten
   
XA
  1. Chemische aantasting
XA1
aantasting door bijvoorbeeld:
 
  1. boorzuur,
  2. waterstofsulfide,
  3. creosoot,
  4. kresol,
  5. visolie,
  6. varkensvet,
  7. glycerine,
  8. bier,
  9. bleekwater
   
XA2
aantasting door bijvoorbeeld:
 
  1. azijnzuur,
  2. carbolzuur,
  3. melkzuur,
  4. mierenzuur,
  5. amandelolie,
  6. kokosolie,
  7. terpentijn,
  8. fenol,
  9. glucose,
  10. urine,
  11. wei
   
XA3
aantasting door bijvoorbeeld:
 
  1. citroenzuur,
  2. humuszuur,
  3. zoutzuur,
  4. zwavelzuur,
  5. kuilvoer,
  6. cider,
  7. appelwijn,
  8. mest,
  9. vruchtensap
   
XM
  1. Mechanische aantasting, beton met blootstelling aan belasting
XM1
matige slijtage belasting
 
  1. wegdek in woongebieden.
   
XM2
sterke slijtage belasting
 
  1. wegdek van de belangrijke wegen, verkeergebieden met zwaar bijv. heftruck verkeer.
   
XM3
extreme slijtage belasting
 
  1. deklagen van wegen die vaak worden belast door rupsvoertuigen, constructies in verontreinigd water zoals bijv. bovenloop van rivieren.
 
 2) Het corroderen van de wapening in beton is een elektrochemisch proces. Tussen wapeningsstaal, water en zuurstof worden elektronen uitgewisseld. Deze stroomkring wordt gevoed door de energie die in het wapeningsstaal is opgeslagen. De stroomkring loopt deels door de goed geleidende wapening en deels door het slechter geleidende poriewater in het beton. Op plaatsen waar de (positieve) stroom het wapeningsstaal verlaat - de zogenaamde anodeplaatsen - treedt corrosie op: het ijzer lost op en de wapening wordt aangetast. Op plaatsen waar de stroomkring weer het wapeningsstaal intreedt - de zogenaamde kathodeplaatsen - reageert zuurstof met water tot hydroxide. Deze reactie is in principe onschadelijk. Het totale proces - leegloop van de 'staal-beton-batterij' - leidt tot roestvorming en het gevormde roest is aanzienlijk omvangrijker dan het oorspronkelijke staal. Hierdoor ontstaat een inwendige druk. Die kan zo hoog oplopen, dat er scheuren in het beton ontstaan of zelfs hele betonschollen worden losgedrukt. Naast esthetische aspecten levert dit mogelijk veiligheidsrisico op. Aangezien beton- en staaldoorsnede verminderen, kan immers de constructieve integriteit in het geding komen.
 
 

Corrosion

Diverse milieus met de daarbij van toepassing zijnde milieuklassen
 
TABEL 2
milieus   aantastingmechanismen gewapend- en voorgespannen beton
vochthuishouding
additionele invloeden
geen
aantasting
aantasting wapening aantasting beton
  chloriden vorst chemisch
carbonatatie
zout
zeewater
XF  
X0 XC XD XS -
dooi-
zout
XA
zeer droog   X0           -
droog     XC1         -
vochtig – binnenland -   XC3         ?
vochtig – binnenland vorst   XC3      XF1   
vochtig – binnenland chloriden 1)   XC3 XD1       ?
vochtig – binnenland vorst, chloriden 1)   XC3 XD1     XF2 ?
vochtig – maritiem vorst   XC3   XS1 XF1   ?
vochtig – maritiem vorst, chloriden 1)   XC3 XD1 XS1   XF2 ?
nat / droog – binnenland -   XC4         ?
nat / droog – binnenland vorst   XC4     XF3   ?
nat / droog – binnenland chloriden 1)   XC4 XD3       ?
nat / droog – binnenland vorst, chloriden 1)   XC4 XD3     XF4 ?
nat / droog – maritiem vorst   XC4   XS3 XF3   ?
nat / droog – maritiem vorst, chloriden 1)   XC4 XD3 XS3   XF4 ?
nat – binnenland -   XC2         ?
nat – binnenland vorst   XC2     XF3   ?
nat – binnenland chloriden 1)   XC2 XD2       ?
nat – binnenland vorst, chloriden 1)   XC2 XD2     XF4 ?
nat – maritiem vorst   XC2   XS2 XF3    ?
nat – maritiem vorst, chloriden 1)   XC2 XD2 XS2   XF4 ?
permanent onder water binnenland     XC1         ?
permanent onder water maritiem     XC1   XS2     ?
 
1) chloriden niet afkomstig uit zeewater (bijvoorbeeld dooizout, zwembadwater of industrieel water met chloriden)
 
De tabel is van toepassing op gewapend- en voorgespannen beton met altijd minimaal één milieuklasse (XC) tot maximaal 5 milieuklassen. Bij ongewapend beton en staalvezelbeton komen de milieuklassen XC en XD niet voor.

De bij de hieronder gedefinieerde vochtregimes in de milieuklassen XC is een relatie gelegd met de relatieve vochtigheid (RV) volgens de classificatie van NEN 6720, art. 6.1.5 (kruipcoëfficiënt) en art.6.1.6 (krimpverkorting).

Binnenland
Condities waarbij beton niet in contact komt met chloriden afkomstig uit zeewater.
 
Maritiem
Condities waarbij beton in contact komt met chloriden afkomstig uit zeewater.De beton zal dan ook altijd onderhevig kunnen zijn aan vorst.

Indeling milieus (met uitzondering van milieu ‘zeer droog’ en ‘droog’) Bij de indeling in milieus is onderscheid gemaakt tussen ‘Binnenland’ en ‘Maritiem’. In combinatie hiermee kunnen de volgende additionele invloeden optreden:

  • geen andere invloed;
  • alleen vorst;
  • alleen chloriden niet afkomstig uit zeewater;
  • vorst in combinatie met chloriden niet afkomstig uit zeewater.

Bij alle bovengenoemde invloeden kan ook milieuklasse XA1, XA2 of XA3 van toepassing zijn.

 

vochthuishouding relatieve vochtigheid RV toelichting
     
milieu ‘zeer droog’ (X0)
in NEN 8005 buiten beschouwing gelaten
zeer droog milieu
milieu ‘droog’ (XC1) RV < 60 % droog binnenmilieu
milieu ‘vochtig’ (XC3) 60 % ≤ RV < 85 % buitenlucht, beschut
milieu ‘nat / droog’ (XC4) 60 % ≤ RV < 100 %
buitenlucht, afwisselend nat / droog,
onbeschut, getijde- en spatzone
milieu ‘nat’ (XC2) 85 % ≤ RV < 100 %
buitenlucht, vrijwel altijd nat, onbeschut
milieu ‘permanent onder water’ (XC1)
RV = 100 %
onder LLW of laagste grondwaterstand
     

milieuklasse groot

Keuzeschema voor de beoordeling van chemische agressiviteit

 

hulp

Grenswaarden van de milieuklassen met chemische aantasting door natuurlijke grond en grondwater
 
Het agressieve chemische milieu, zoals hieronder ingedeeld, is gebaseerd op natuurlijke grond en grondwater met een water-/grondtemperatuur tussen 5°C en 25°C en een zo lage watersnelheid dat een statische situatie wordt benaderd.
TABEL 3
 
chemische bestanddelen
referentie beproeving
XA1 XA2 XA3
     
Grondwater
SO42- mg/l NEN-EN 196-2 ≥ 200 en ≤ 600 > 600 en ≤ 3000 > 3000 en ≤ 6000
pH ISO 4316 ≤ 6.5 en ≥ 5.5 < 5.5 en ≥ 4.5 < 4.5 en ≥ 4.0
CO2 mg/l agressief PrEN 13577:1999 ≥ 15 en ≤ 40 > 40 en ≤100 >100
NH4+ mg/l ISO 7150-1 of -2 ≥ 15 en ≤30 >30 en ≤60 >60 en ≤ 100
Mg2+ mg/l ISO 7980 ≥300 en ≤1000 >1000 en ≤3000 >3000
Grond
SO42- mg/kg a) NEN-EN 196-2 b) >2000 en ≤3000 3000 c) en ≤12000 > 12000 en ≤24000
zuurgehalte ml/kg DIN 4030-2 >200 In de praktijk niet waargenomen
 
a) kleigrond met een doorlaatbaarheid kleiner dan 10 -5 m/s mag in een lagere klasse worden geplaatst.
b) de beproevingsmethode schrijft de extractie voor van SO4 2- door middel van zoutzuur. Als alternatief mag de extractie met behulp van water worden toegepast, als op de plaats van het gebruik van het beton ervaring beschikbaar is.
c) de grens van 3000 mg/kg moet worden verlaagd tot 2000 mg/kg indien gevaar bestaat voor opeenhoping van sulfaationen in het beton, ten gevolge van nat/droog-wisselingen of capillaire opzuiging.

Overzicht chemicaliën met globale indicatie van de agressiviteit voor beton

 

TABEL 4
naam reactie agressiviteit
     
Zuren
azijnzuur O 3-4
boorzuur O 2
carbolzuur (fenol) O/U 2-3
citroenzuur O 4
fosforzuur O 4
humuszuur O 4
melkzuur O 3
mierenzuur O 3
oxaalzuur O 1
salpeterzuur O 5
tannine (looistof) O 1-2
waterstoffluoride O 5
wijnsteenzuur O 1
zoutzuur O/C 5
zwavelwaterstof O 2
zwavelzuur O/E 5
Zouten en alkaliën
Carbonaten van
ammonium U 2
kalium E 2
natrium (soda) E 2
Chloriden van
aluminium U/C 3
ammonium (salmiak) U/C 3
calcium C 1
kalium C/E 1
koper C 1
kwik C 1
magnesium U/C 3
natrium (pekel zout) C/E 2
ijzer C 2
zink C 2
Fluoriden
ammonium U 4
Hydroxyden van
ammonium   1
calcium   1
kalium (loog) E 2
natrium (loog) E 2
Nitraten van
ammonium U 5
Calcium   1
kalium (salpeter) U/E 3
magnesium U/E 3
natrium U/E 3
Sulfaten van
aluminium E 4
ammonium U/E 5
calcium E 4
kalium E 4
koper E 4
mangaan E 4
magnesium U/E 5
natrium E 4
nikkel E 4
ijzer E 4
zink E 4
Petroleumdestillaten
benzine   1
kerosine   1
naftaleen   1
petroleum   1
zware olie   1
dieselolie   1
Koolteerdestillaten
anthraceen   1
benzeen   1
cumeen   1
kreosoot (olie) U 2
kresol U 2
paraffine   1
teer   1
tolueen   1
xyleen   1
Plantaardige oliën
amandelolie U 3
chinese houtolie U 3
katoenzaadolie U 3
kokosolie U 3
lijnolie U 3
maanzaadolie U 3
olijfolie U 3
pinda-olie U 3
raapolie U 3
ricinusolie U 3
soyaboonolie U 3
terpentijn U 3
walnootolie U 3
Dierlijk vet en vetzuren
beenderolie O 2
varkensvet O 2
visolie O 2
slachtafval O 3
Diversen
alcohol   1
aceton   1
ammoniak (water)   1
bier O 2
bleekwater C 2
borax   1
caustic soda   1
cider appelwijn O 4
ether   1
etherische olie   1
fenol U 3
glucose U 3
glycerine U 2
honing   1
houtpap houtslijp   1
kaliumpermanganaat   1
kalk   1
karnemelk O 3
koolzuurgas   1
kuilvoer (silage) O 5
lood   1
looistoffen   1
melasse suikerstroop U 3
melk   1
mest O/U 4
suiker: droog   1
suikeroplossing U 3
tetra   1
tolueen   1
tri (chloorethyleen)   1
ureum   1
urine O/U 3
vaseline   1
vruchtensap O 4
waterglas   1
wei O 3
wijn   1
zacht water O 3
zeep   1
zwavel   1
 
Reactietype: Agressiviteit:
   
O = oplossing; 1 = onschadelijk;
U = uitwisseling; 2 = licht agressief;
E = expansie; 3 = matig agressief;
C = corrosie wapening   4 = sterk agressief;
  5 = zeer sterk agressief
Milieuklassen vlgs NEN-EN 206-1 en de daarbij behorende eisen vlgs NEN 8005 en NEN 6720
 
TABEL 5
max.
wcf / wbf
min. cement
gehalte
geen
aantasting
aantasting wapening aantasting beton
   chloriden vorst
chemische
aantasting
 
carbonatatie
dooizout zeewater - dooizout  
0.70 200 X0  
0.65 260   XC1  
0.60 280   XC2  
0.55 280   XC3  
0.55 300   XD1   XF1 XF2-lucht XA1
0.50 300   XC4 XD2 XS1 XF3 XF4-lucht  
0.50 320   XA2
0.45 300   XD3  XS2   XF2  
0.45 320   XS3   XF4  
0.45 340   XA3
betondekking c 1) in mm
plaat, wand  - 15 25 30 25 30
balk, poer, console  - 25 30 35 30 35
kolom  - 30 35 40 35 40
scheurwijdte w in mm
zonder voorspanstaal - 0.4 0.3 0.2 0.3 0.2
met voorspanstaal - 0.3 0.2 0.1 0.2 0.1
 
1) Op de minimale betondekking is een toeslag van 5 mm van toepassing in geval van:

• een nabewerkt oppervlak;
• een oncontroleerbaar oppervlak;
• beton met een karakteristieke kubusdruksterkte f'ck < 25 N/mm2.

Indien deze gevallen zich tegelijkertijd voordoen, moeten de toeslagen worden gesuperponeerd.
 
max. wcf / wbf
min. cement gehalte
matige slijtage belasting sterke slijtage belasting extreme slijtage belasting
         
0.55 300 XM1    
0.45 320   XM2  
0.45 320     XM3

Stappenplan

Stap 1:
 
Bepaling milieuklassen XC, XD, XS, XF
Bepaal voor het betreffende bouw(onder)deel:
  • de vochthuishouding;
  • de additionele invloeden.
 
Uit tabel 2 kan hiermee de juiste combinatie van milieuklassen worden afgelezen.
 
Opmerking
Voor de bepaling van de vochthuishouding wordt verwezen naar de toelichting bij tabel 2.
 
Stap 2:
 
Bepaling milieuklasse XA
 
Funderingsconstructies
  • Bepaal op grond van de informatie uit het geochemisch onderzoek met behulp van tabel 3, de milieuklasse XA.
Constructie in contact met chemische stoffen
 
  • Bepaal aan de hand van tabel 4 de mate van agressiviteit (1 t/m 5).
  • Bepaal hiermee vervolgens uit het keuzeschema de milieuklasse XA.
Stap 3:
 
Bij wand of vloer
  • Voer bij een wand of vloer voor de beide zijden van deze bouwdelen de stappen 1 en 2 uit.
Stap 4:
 
Maatgevende ontwerpparameters
Het doorlopen van de stappen 1 t/m 3 geeft per bouwdeel (en bij wanden en vloeren per zijde) de juiste milieuklassen. Hiermee is met behulp van tabel 5 te bepalen:
  • de minimale betondekking in combinatie met de toelaatbare scheurwijdte;
  • de laagste waarde van de maximale water-cement-/bindmiddelfactor in combinatie met de hoogste waarde van het minimale cement-/bindmiddelgehalte én indien van toepassing het luchtgehalte.

Voorbeelden
 
mk 0001Opslag-/kuilplaat (agrarische sector)
 
Randvoorwaarden
  • soort constructie: opslag-/kuilplaat van gewapend beton
  • plaats: binnenland
  • mogelijk chemische aantasting: ja, door kuilvoer op de plaat
Stap 1: Milieuklassen bovenzijde plaat:
  • Vochthuishouding: nat/droog – binnenland: XC4 (zie tabel 2).
  • Additionele invloeden: vorst: XF3 (zie tabel 1).
Stap 2: Chemische aantasting:
 
Het beton kan worden aangetast door sap uit kuilvoer.
Voor de bepaling van de milieuklasse XA maken we gebruik van tabel 4 en het keuzeschema.
Uit tabel 4 wordt afgelezen dat voor kuilvoer geldt: zeer sterk agressief (5). Uit het keuzeschema volgt nu de milieuklasse XA3.
Accepteer aantasting, pas een opofferingsdekking toe of breng een beschermlaag aan.
 
Stap 3: Milieuklassen onderzijde plaat:
  • Vochthuishouding: vochtig: XC3.
  • Additionele invloeden: geen.
Resultaat stap 1 t/m 3
  • Bovenzijde plaat: XC4 – XF3 – XA3.
  • Onderzijde plaat: XC3.
Stap 4: Maatgevende ontwerpparameters:
 
Constructief
 
Voor de bovenzijde van de betonplaat volgt uit tabel 5, met XA3 als bepalende milieuklasse:
  • minimale betondekking = 30 mm;
  • grenswaarde scheurwijdte = 0,2 mm.
Voor de onderzijde van de betonplaat volgt uit tabel 5, met XC3 als maatgevende milieuklasse:
  • minimale betondekking = 25 + 5 = 30 mm;
  • grenswaarde scheurwijdte = 0,3 mm.
Betontechnologisch
 
Milieuklasse XA3 is bepalend voor de betonsamenstelling. Uit tabel 5 volgt:
  • maximale water-cement/bindmiddelfactor = 0,45;
  • minimum cement/bindmiddelgehalte = 340 kg/m3.

mk 0002Vloer parkeergarage
 
Randvoorwaarden
  • soort constructie: voor weersinvloeden open loopgang langs de flats
  • plaats: binnenland
  • mogelijk chemische aantasting: nee
Stap 1: Milieuklassen bovenzijde plaat;
  • Vochthuishouding: nat / droog – binnenland.
  • Additionele invloeden: chloriden uit dooizouten. Uit tabel 2 volgt: Milieuklassen XC4 – XD3.
Stap 2: Chemische aantasting:
 
Niet van toepassing.
 
Stap 3: Milieuklassen onderzijde plaat:
  • Vochthuishouding: vochtig – binnenland.
  • Additionele invloeden: geen. Uit tabel 2 volgt: Milieuklassen XC3.
Resultaat stap 1 t/m 3
  • Bovenzijde plaat: XC4 – XD3.
  • Onderzijde plaat: XC3.
Stap 4: Maatgevende ontwerpparameters:
 
Constructief
 
Voor de bovenzijde van de betonplaat volgt uit tabel 5:
  • minimale betondekking = 30 mm;
  • grenswaarde scheurwijdte = 0,2 mm.

Voor de onderzijde van de betonplaat volgt uit tabel 5:

  • minimale betondekking = 25 mm;
  • grenswaarde scheurwijdte = 0,3 mm.
Betontechnologisch
 
Milieuklasse XD3 is bepalend voor de betonsamenstelling. Uit tabel 5 volgt:
  • maximale water-cement/bindmiddelfactor = 0,45;
  • minimum cement/bindmiddelgehalte = 300 kg/m3.

mk 0003Balkon galerijflat
 
Randvoorwaarden
  • soort constructie: voor weersinvloeden open loopgang langs de flats
  • plaats: binnenland
  • mogelijk chemische aantasting: nee
Stap 1: Milieuklassen bovenzijde plaat:
  • Vochthuishouding: nat/droog – binnenland.
  • Additionele invloeden: vorst met chloriden uit dooizouten.
Uit tabel 2 volgt: Milieuklassen XC4 – XD3 – XF4.
 
Stap 2: Chemische aantasting:
 
Niet van toepassing.
 
Stap 3: Milieuklassen onderzijde plaat:
  • Vochthuishouding: vochtig - binnenland.
  • Additionele invloeden: vorst. Uit tabel 2 volgt: Milieuklassen XC3 – XF1.
Resultaat stap 1 t/m 3
  • Bovenzijde plaat: XC4 – XD3 – XF4.
  • Onderzijde plaat: XC3 – XF1.
Stap 4: Maatgevende ontwerpparameters
 
Constructief
 
Voor de bovenzijde van de betonplaat volgt uit tabel 5:
  • minimale betondekking = 30 mm;
  • grenswaarde scheurwijdte = 0,2 mm.
Voor de onderzijde van de betonplaat volgt uit tabel 5:
  • minimale betondekking = 25 mm;
  • grenswaarde scheurwijdte = 0,3 mm.
Betontechnologisch
 
Milieuklasse XF4 is bepalend voor de betonsamenstelling. Uit tabel 5 volgen de twee mogelijkheden:
 
1. XF4 zonder ingebrachte lucht
  • maximale water-cement/bindmiddelfactor = 0,45;
  • minimum cement/bindmiddelgehalte = 320 kg/m3.
2. XF4 met ingebrachte lucht (3,5 % lucht bij Dmax = 31,5 mm)
  • maximale water-cement/bindmiddelfactor = 0,50;
  • minimum cement/bindmiddelgehalte = 300 kg/m3.
N.B. Met deze optie met ingebrachte lucht wordt echter niet voldaan aan de eisen bij milieuklasse XD3, te weten een maximale water-cement/bindmiddelfactor van 0,45 met een minimum cement/bindmiddelgehalte van 300 kg/m3. Een mogelijkheid om wel aan de eisen bij XD3 te voldoen, is het toepassenvan een maximale watercement/bindmiddelfactor van 0,45 en een minimum cement/bindmiddelgehalte van 300 kg/m3 in combinatie met ingebrachte lucht.

mk 0004Brugdek in maritiem milieu
 
Randvoorwaarden
  • soort constructie: betonnen brugdek
  • plaats: aan zee
  • mogelijk chemische aantasting: nee
Stap 1: Milieuklassen bovenzijde plaat:
  • Vochthuishouding: vochtig – maritiem.
  • Additionele invloeden: vorst met chloriden uit dooizouten. Uit tabel 2 volgt: Milieuklassen XC4 – XD3 – XS3 - XF4.
Stap 2: Chemische aantasting:
 
Niet van toepassing.
 
Stap 3: Milieuklassen onderzijde plaat
  • Vochthuishouding: nat / droog – maritiem.
  • Additionele invloeden: vorst. Uit tabel 2 volgt: Milieuklassen XC3 – XS1 – XF1.
Resultaat stap 1 t/m 3
  • Bovenzijde plaat: XC4 – XD3 – XS3 - XF4.
  • Onderzijde plaat: XC3 – XS1 – XF1.
Stap 4: Maatgevende ontwerpparameters
 
Constructief
 
Voor de bovenzijde van de betonplaat volgt uit tabel 5
  • minimale betondekking = 30 mm;
  • grenswaarde scheurwijdte = 0,2 mm.
Voor de onderzijde van de betonplaat volgt uit tabel 5
  • minimale betondekking = 30 mm;
  • grenswaarde scheurwijdte = 0,2 mm.
Betontechnologisch
 
De milieuklassen XS3 en XF4 (zonder ingebrachte lucht) zijn bepalend voor de betonsamenstelling. Uit tabel 5 volgt:
  • maximale water-cement/bindmiddelfactor = 0,45;
  • minimum cement/bindmiddelgehalte = 320 kg/m3.

Literatuur

    1. NEN-EN 196-2, Beproevingsmethoden voor cement - Deel 2: Chemische analyse van cement. Delft, NEN, 1995
    2. NEN-EN 206-1, Beton - Deel 1: Specificatie, eigenschappen, vervaardiging en conformiteit. Delft, NEN, 2001
    3. ISO 4316, Surface active agents - Determination of pH of aqueous solutions - Potentiometric method. Geneve, ISO, 1977
    4. NEN 6720, TGB 1990 - Voorschriften Beton - Constructieve eisen en rekenmethoden (VBC 1995). Delft, NEN, 1995
    5. NEN-ISO 7150-1, Water - Bepaling van ammonium - Deel 1: Handmatige spectrometrische methode. Delft, NEN, 2002
    6. ISO 7150-2, Water quality - Determination of ammonium - Part 2: Automated spectrometric method. Geneve, ISO, 1986
    7. NEN 8005, Nederlandse invulling van NEN EN 206-1: Beton - Deel 1: Specificatie, eigenschappen, vervaardiging en conformiteit. Delft, NEN, 2004
    8. Ontw. NEN-EN 13577, Waterkwaliteit - Bepaling van het gehalte aan aggressieve koolstofdioxide. Delft, NEN, 1999
    9. NEN-EN-ISO 7980, Water - Bepaling van calcium en magnesium - Atomaire absorptie absorptie spectrometrische methode. Delft, NEN, 2000
    10. DIN 4030-2, Beurteilung betonangreifender Wässer, Böden und Gase; Entnahme und Analyse von Wasser- und Bodenproben. Berlin, Beuth, 1991
    11. 'De juiste milieuklassen in vier stappen', 's-Hertogenbosch, ENCI, april 2005